Een veulen en een hertje

Een veulen en een hertje

lopen naast elkaar
het bos is reuze mooi
groen het gras, blauw de lucht
en toch slaakt het hertje een diepe zucht

Haar hertenogen  staan toch wat droef
En haar neus is droog
Haar mooie kop houdt ze ook niet omhoog
En aan het veulen doet zij een betoog.

‘Heb jij een huis om naar toe te gaan?
Is daar iets te eten, te drinken, wat graan?
Is er een huis, een plek, een domein,
Waar je helemaal jezelf kunt zijn?’

‘ja, hoor, zegt het veulen, wij hebben de wei,
Met een stal op de boerderij
Wij hebben bijt, graan, water, hooi en een groene wei
En bij de kudde voel ik me geborgen en blij.

‘Tjéé, zegt het hertje,
dat is nog eens wat.
Ik zou willen,
Dat ik dat ook had!’

‘Weet je wat,
Zei het veulentje blij,
Woon maar een tijdje bij mij.
Mijn moeder vind dat vast wel goed
En ze zorgt ook wel voor jou,
Als het moet.

Die nacht sliep het hertje
veilig in de stal.
En voor hij tot drie kon tellen,
Sliep hij al!

Hij droomde over zijn hertenmoeder,
Toen ze nog leefde in het bos.
En wat ze in zijn droom vertelde,
Liet hem niet meer los.

Ze riep in zijn droom,
Met een zacht zoet stemgeluid:

‘Jij bent voor mij, het allerliefste hertje dat er bestaat.
Het maakt ook niet uit, met welke moeder je praat.
Er zijn vele moeders in het bos.
Van de muis, de marter, het hert of de Vos’.

‘Van de beer en de slang of de ree.
Jij bent nu hun kind
En telt voor hun echt mee.
Leg nu je kop maar tegen háár vacht,
Dan dromen we samen, deze nacht’.

de fabel van een miereneter en een schildpad !

Joris de miereneter en Friedus de schildpad

De ochtend breekt aan, als het omslaan van een blad
en Joris en Friedus gaan samen op pad.
Joris eet mieren en Friedus eet dat niet graag,
maar dat houdt hun niet tegen om samen te gaan vissen vandaag.

Joris legt zijn grote harige miereneter-staart sierlijk voor zich neer
en op de steen waar hij gaat zitten
gaat hij rustig zitten als een deftige mierenbeer.

Zijn bril zet hij recht op zijn lange miereneter-neus
Hij hangt iets naar voren om zichzelf te zien in het meer.
En op zijn harige kop zie je ineens zijn eigen afkeer.
Stil staart hij vooruit in de verte over het meer
“Heb jij zin om iets te knabbelen hier?”
Zegt hij ineens tegen zijn vriend.
Ik ben tenslotte een miereneter; een Tapier
ik heb eigenlijk wel zin in een mier!
Ik zit anders een beetje te vervelen hier!

Aan de rand van het Fantasiebos bij het Spiegelmeer, komt zijn verhaal los.
Beste Friedus ik ben toe aan een metamorfose,
een facelift, een make- over,
een nieuwe look.
Een nieuw uiterlijk is wat ik eigenlijk zoek!
Die malle neus, die gekke staart, dat is een methamorfose meer dan waard!

De schildpad gaat er eens even voor zitten
en kijkt verbaasd zijn miereneter- vriend aan.

Joris, beste vriend, als ik naar jou kijk, wordt ik altijd blij! Niemand heeft zo’n leuke harige kop als jij! Jouw neus is fabuleus lang en komiek en die zwierige staart staat jou juist sjiek! Op mijn schild groeit geen enkele haar en met die neus van mij ruik ik geen snars en ook geen mier.

Jij bent in uit ons bos echt het allerleukste dier!